Vorige: Zuinige LCD-Interface.   Omhoog: Sturingen.   Volgende: Minuteriedimmer.
Inhoudsopgave   Index


LichtDimmer.


Eenvoudig

LichtDimmerEenvoudig.png De meest-eenvoudige lichtdimmer bevat maar 4 onderdelen: een Triac1, een Diac, een condensator en een potentiometer.

De werking is snel uitgelegd: na elke nuldoorgang wordt C1 opgeladen via P1. Hoe kleiner de waarde waarop P1 staat ingesteld, hoe sneller dat opladen gebeurt.
Zodra de spanning over C1 30V bereikt, wordt de doorslagspanning van de Diac overschreden2. Deze zal nu C1 snel ontladen, en die lading vloeit in de gate van de Triac. Hierdoor gaat de Triac op zijn beurt in geleiding, en dat blijft hij doen tot de volgende nuldoorgang.

Hoe groter de ingestelde weerstand van P1, hoe langer het duurt voor de spanning over P1 30V bereikt, en hoe korter de tijd tussen het ontsteekpunt en de volgende nuldoorgang, en hoe minder licht de lamp uitstraalt.


Ontstoring.

LichtDimmerOntstoord.png Het eenvoudig schema hierboven zal werken, maar het is beslist geen aanrader.

De Triac schakelt namelijk heel snel in. De stroom door de belasting gaat daardoor van nul naar maximum op heel korte tijd. En dat herhaalt zich 100 maal per seconde!
Het gevolg zijn stoorsignalen die door de bedrading, die als antenne fungeert, de ether ingezonden worden.

Daaraan valt wat te doen door een condensator (C2) en een kleine spoel (L1) aan de schakeling toe te voegen, zoals rechts te zien is. Merk op, dat de condensator geschikt moet zijn voor een wisselspanning van 250V of ―nog beter― 275V. Condensators die gemarkeerd zijn voor een gelijkspanning van 400V zijn ongeschikt.

LichtDimmerGedemptOntstoord.png

Wat opvalt, is het feit dat L1 in serie met A1 is geplaatst. Het lijkt logischer, L1 tussen lamp en A2 op te nemen, maar dat is geen goed idee. A2 is immers verbonden met het koelplaatje van de Triac. Dit vormt een paracitaire capaciteit met de aarde, zeker als het op een koelprofiel geschroefd is. En die paracitaire capaciteit zal de werking van het LC-filter nadelig beïnvloeden.

De opgegeven waarden zijn geschikt voor belastingen tussen 150W en 1000W.
Bij belastingen, kleiner dan 150W, kan het ontstoorfilter oscillaties veroorzaken, die tot gevolg hebben dat de Triac terug spert.
In het schema links wordt het ontstoorfilter gedempt door de aanwezigheid van R1.


Inductieve belastingen.

LichtDimmerInductief.png Wanneer de belasting een inductief karakter heeft ―ik denk hierbij aan een draadgewonde trafo voor halogeenverlichting― gelden er andere regels. Het heeft dan weinig zin, om een LC-filter te plaatsen - het inductief karakter van de belasting zal sowieso beletten dat de stroom snel van nul naar maximum gaat.

Hier doen zich twee andere problemen voor:
Het feit dat spanning en stroom niet in fase zijn, brengt de Triac in de war. Immers, zodra de volgende nuldoorgang bereikt is, wil de triac sperren. Op dat ogenblik vloeit er nog steeds stroom - stroom die nergens heen kan! Dat veroorzaakt een plotse spanningsstijging, die er kan voor zorgen dat de triac spontaan ontsteekt - het zogenaamde rate-effect.
Daarnaast kan het vertraagd opkomen van de stroom bij het ontsteken hinderlijk zijn. De Diac levert een korte maar krachtige stroompuls op de gate van de Triac. Als de minimum houdstroom nog niet bereikt is op het ogenblik dat die puls wegvalt, zal de triac terug sperren.

Gelukkig kunnen beide problemen opgelost worden door een snubber-netwerk, bestaande uit R1 en C2.
Enerzijds biedt dit netwerk een uitweg aan de stroom, wanneer de triac bij een nuldoorgang spert. En anderzijds zal C2 zich bij het ontsteken ontladen over R1, en alzo kortstondig voor de nodige houdstroom zorgen tot de belasting het overneemt.

Ook hier moet C2 minstens een 250V~ type zijn.
R2 mag een gewone 1/4W weerstand zijn. C2 laat hoogstens 7.2mA door. Dat betekent dat er over R2 maar 0.72V komt te staan, en dat hij in dat geval maar 5mW verstookt.


Hysteresis.

Dimmer-OhmseLast.png Er is nóg wat mis met de schakelingen hierboven. Wanneer we P1 instellen op zijn maximum weerstand, blijft de lamp gedoofd. De stroom die P1 doorlaat volstaat niet om C1 op te laden tot de benodigde ontsteekspanning van 30V.
Dat betekent niet, dat C1 geen lading krijgt. Het betekent wél, dat C1 niet ontladen wordt zoals dat zou gebeuren op het ogenblik dat de Diac ontsteekt.
Het gevolg is, dat de spanning over C1 gaat naijlen op de netspanning. Verdraaien we nu P1, dan wordt de laadstroom groter. De lamp blijft echter gedoofd - het naijlen zorgt er voor dat C1 eerst moet ontladen worden alvorens het laden een aanvang kan nemen.

Blijven we P1 verdraaien, dan zal de laadstroom op zeker moment wel groot genoeg zijn om C1 tot de nodige 30V op te laden. De Diac ontsteekt, waardoor C1 ontladen wordt.
Vanaf dat ogenblik ijlt de spanning over C1 niet meer na ten opzichte van de netspanning. Het gevolg is, dat de lamp plots van 0% naar bijna 50% springt.

Dimmer-InductieveLast.png

Vanaf dit punt kunnen we P1 terugdraaien, zodat de lamp zachter gaat branden, maar fraai is het allemaal niet.
We hebben “iets” nodig, dat C1 bij elke nuldoorgang ontlaadt, ook als de Diac niet ontsteekt. En dat is precies wat R1, R2 en D1 ... D4 in de schemas hiernaast doen.

Stel, dat de netspanning op A positief is tov. B, en dat de Triac niet ontstoken wordt.
Op het knooppunt R1/D1/D3 staat een spanning van +0.7V. C1 kan langs die weg niet opgeladen worden - over D3 zou immers óók 0.7V vallen, waardoor er geen spanning overblijft. D4 staat in sperrichting - langs deze weg vloeit er evenmin stroom.
C1 wordt wel opgeladen via P1, maar als deze ingesteld staat op 500k is de laadstroom te klein om C1 tot 30V op te laden. Wanneer nu de volgende nuldoorgang bereikt wordt, zal er over C1 nog steeds een positieve spanning staan.

Na de volgende nuldoorgang wordt A negatief tov. B. Nu komt er op het knooppunt R2/D2/D4 een spanning van -0.7V te staan. Dat geeft C1 de gelegenheid zich te ontladen over D4 en R2.
R1, D1 en D3 hebben tijdens deze fase geen invloed, omdat het nu D3 is die in sperrichting staat voor de aangelegde spanning.

Dit mechanisme maakt het mogelijk de lamp te regelen van 0% naar de gewenste lichtsterkte zonder ongewenste sprongen.

Wellicht ten overvloede: de rechtse schakeling is geschikt voor ohmse belastingen, en de linkse voor inductieve belastingen.


Flikkeren.

Het kan gebeuren, dat een gedimde lamp meerdere malen per dag kortstondig begint te flikkeren. De kans is groot, dat CAB3-signalen hiervan de oorzaak zijn. Dat zijn toonfrequent-signalen die de netbeheerder superponeert op de 50Hz van het lichtnet.
In de regel is de frequentie daarvan net geen veelvoud van 50Hz. In Antwerpen en ogeving is dat 1347Hz. Het gevolg hiervan is, dat het tijdstip van de nuldoorgang een beetje heen-en-weer schommelt, en dat is merkbaar aan de lichtsterkte van de lamp.

In principe valt daar wat aan te verhelpen. Er bestaan immers filters die bedoeld zijn als voorzet voor condensatorbatterijen. In de praktijk is zo'n filter veel te duur om de aanschaf zelfs maar te overwegen.
“Leer er mee leven” zou ik zeggen...


Dimmen met microcontrollers.

De taak van C1, P1 en de Diac in voorgaande schemas kan overgenomen worden door een μC. Over de werkwijze zal ik niet dieper ingaan, maar ik wil wel een tweetal kanttekeningen maken.

De vierde quadrant.

uC-triacsturingA.png Je zou een Triac kunnen aansturen zoals op het plaatje rechts. Met een TIC206, een TIC216, of een vergelijkbare Triac zal dat naar behoren werken - die zijn tevreden met een gatestroom van 10mA.
Maar bij een TIC226 kan het al fout lopen. Dit, omdat de vierde quadrant doorgaans twee maal zoveel stroom vergt als de overige drie.

Een Triac kan immers op vier manieren gestuurd worden. Hier de vier quadranten, met de benodigde gate-stroom voor een TIC226:

  1. Belasting positief en gate positief tov. A1 - 2mA
  2. Belasting positief en gate negatief tov. A1 - -12mA
  3. Belasting negatief en gate negatief tov. A1 - -9mA
  4. Belasting negatief en gate positief tov. A1 - 20mA
Vermits we de gate altijd positief sturen, gebruiken we enkel 1 en 4. Die 20mA kan de gemiddelde μC nog net leveren, maar het is wel op het randje.
Daar valt wat aan te verhelpen door een transistor als stroomversterker in te schakelen, maar als we een zwaardere Triac willen gebruiken zitten we al snel aan 50mA voor die vierde quadrant. uC-triacsturingB.png Willen we daarvan verlost zijn, dan doen we er beter aan de gate altijd negatief te sturen, zoals het linkse plaatje toont. Nu moeten we enkel rekening houden met quadranten 2 en 3.

Merk op, dat de Triac in het schema “ondersteboven” getekend staat!

Inductieve belastingen.

Als we een lamp sturen, en de Triac krijgt onvoldoende gate-stroom, kan het zijn dat hij de belastingsstroom maar in één richting doorlaat. Dat is flink vervelend, want de lamp zal dan merkbaar flikkeren.

Als de belasting een draadgewonden halogeen-trafo is, wordt het nog veel erger. Die krijgt immers geen wisselstroom meer, maar een pulserende gelijkstroom.
En die stroom kan behoorlijk oplopen, want het inductieve karakter van de trafo valt bijna geheel weg. Met wat geluk grijpt er ergens een zekering in. Gebeurt dat niet, dan kan je een doorgebrande primaire wikkeling verwachten - als het daarbij blijft...

Het gebruik van een optotriac zoals de MOC3023 is dan ook een aanrader. Vermits deze tevreden is met 5mA aan zijn ingang, kan hij rechtstreeks door een μC gestuurd worden.
Daarnaast wordt de gate van de Triac steeds met dezelfde polariteit gestuurd als de belasting. Dat zijn quadranten 1 en 3 - de zuinigste van het stel.



Voetnoot

...Triac 1
A1 en A2 zijn oudere benamingen. Moderne datasheets maken melding van MT1 en MT2
...overschreden 2
er bestaan ook Diac's met een doorslagspanning van 60V
...CAB 3
Centrale AfstandsBesturing



Vorige: Zuinige LCD-Interface.   Omhoog: Sturingen.   Volgende: Minuteriedimmer.
Inhoudsopgave   Index

Pros Robaer - 2012